"Nou als ik dus dood ga", zei mijn vader. Mijn broer frommelde wat in zijn broekzak.
Mijn vader laste in zijn zin een korte pauze in om onze reactie op deze dramatische zin, die uit het niets was gekomen, te peilen.
Mijn vader wordt wel wat ouder, maar kan zo hopelijk nog decennia mee.
Hij had er zichtbaar plezier in.
Mijn broer vond zijn sleutelbos.
"Dan krijgen jullie te maken met", zei mijn vader. De sleutelbos van mijn broer maakte lawaai omdat hij met het ringetje rondjes draaide.
Ik verstond het woord successierechten.
Er volgde ergens ook een vraagteken.
"Sgoed", zei mijn broer. "Zullen we nu gaan?"
Zo hee, dat was heftig vanochtend. Geen internet! Geen mail! Landelijke storing van KPN.
Paniek! Wat te doen?
Ik kan niet werken! Ik kan niet werken!, ging er door mijn hoofd.
Ik moet heel veel doen! Onmogelijk zonder internet!
Wat nu? Wat nu?
Na een aantal keren dezelfde gedachte te hebben gehad, besloot ik rustig na te denken.
Toen ik op een rijtje ging zetten wat ik precies moest doen, bleek dat ik daar geen enkel internet voor nodig had.
Zelfs niet een beetje internet!
Ik moest namelijk schrijven.
Zelfs zonder computer had dat moeten lukken.
Voelde u dat ook?
Die neiging?
Maar de kachel hier is nog niet aan hoor.
Ik protesteer nog even.
Zo zat ik in mijn fijne H&M jurkje te lunchen in een tamelijk chic caf? toen naast mij een jonge vrouw aanschoof met precies hetzelfde jurkje aan als ik.
H&M. Dat krijg je ervan.
We keken even naar elkaar.
De jonge vrouw naast mij was behalve een kop kleiner dan ik ook tien maten dunner dan ik.
Enige jaloezie kwam bij mij naar boven, maar ze keek me vriendelijk aan. Waarschijnlijk omdat ik geen bedreiging vormde.
"Nou, wat toevallig", zei ik. "Ben jij ook bij die bekende couturier geweest?", vroeg ik, in een poging om ons samen van dertienineendozijn bijzonder exclusief te maken.
De vrouw glimlachte.
Ze keek haar tafelgenoot aan, ik keek mijn tafelgenoten aan.
"Ja", zei ze.
Ha, een slimme vrouw!
"In Antwerpen?", zei ik, om er een schepje bovenop te doen.
"Inderdaad", zei ze. "Bij dat zijstraatje van die grote winkelstraat", voegde ze eraan toe.
Ik zag het zo voor me.
"Inderdaad!", zei ik, waarbij ik grote ogen van verbazing opzette. "Wat toevallig zeg", bevestigde ik. De vrouw lachte.
We waren erg in onze nopjes met elkaar.
Toen keken we onze tafelgenoten aan.
"H&M", zeiden we toen beiden.
Soms verbaas ik me over waarom ik sommige dingen wel weet en andere dingen niet. Vooral verbaast het me als ik dingen w?l weet en anderen niet. Als ik dingen namelijk niet weet, dan zeg ik altijd 'wat niet weet, wat niet deert' en dan ga ik bijvoorbeeld een appeltje eten. En natuurlijk onthoud ik het ding dat ik niet wist, zodat ik de volgende keer de blits kan maken.
Zojuist kwam het woord mali?nkolder voorbij. Het woord mali?nkolder is voor mij net zo bekend als het woord harnas. Of als het woord paperas. Of tombe. Kortom, een woord dat ik niet dagelijks gebruik, maar waarvan ik de betekenis zonder enige twijfel ken.
Nu blijkt dat heel veel mensen het woord niet kennen.
Dat vind ik raar. Ik heb nooit buitensporige interesse gehad voor ridders of de Middeleeuwen.
Waarom ken ik dat woord dan wel?
Gisterenavond vroeg naar bed, telefoon uit. Als ik dat nou net iets
later had gedaan, dan had ik Margreet Dolman herself aan de telefoon
gehad!!!
Nu kreeg ik Margreet Dolman op mijn voicemail om mij alvast te
feliciteren met mijn 30e verjaardag (wat nog best lang duurt
overigens). Met een heel leuk bericht!
Natuurlijk geloofde ik er geen bal van, maar aangezien de stem toch wel
erg op Margreet Dolman leek, toch maar even gebeld naar haar
impresariaat,
dat toevallig ook het impressariaat van Paul Haenen is, en daar zeiden
ze me dat Margeet inderdaad LIVE vanuit het Nieuwe de la Martheater
contact met mij heeft gezocht.
HAHAHA!
Jammer genoeg dus voicemail. Maar daardoor kon ik het nu wel, met dank aan
Arne, die ik ervan verdacht, maar het bleek Maartje te zijn (wat ik nu ook duidelijk in het bericht hoor), opnemen.
Luister
hier naar het fragment!
Iemand tikte op mijn rug. Het stoplicht voor fietsers was op rood gesprongen en ik besloot te wachten. Toeristen staken de weg roekeloos over met hun gezicht in hun plattegrond.
Achter me stond een Japans meisje. Een touringcar vol verveelde mensen gleed voorbij. Het meisje grinnikte, met haar hand voor haar mond, alsof ze net iets had gedaan wat eigenlijk niet mocht. Belletjetrek aan mijn rug. Naast haar stond een andere Japanse, met dezelfde uitdrukking op haar gezicht, giechelend. Zij had waarschijnlijk op de rug van de man naast me getikt, want hij stond net als ik verbouwereerd naar achter te kijken.
Het meisje bij mijn fiets begon te praten. Het klonk Japans, maar het bleek toch Engels te zijn. "We go on bike?", was de laatste vraag in haar verhaal. Daarbij wees ze op zichzelf en haar vriendin en vervolgens op mijn fiets en op de fiets van de man. Wilde ze mijn fiets lenen? Dacht het niet. De meisjes keken ons vol verwachting aan. Ze droegen bijna identieke zwarte rokjes. Hun glimlach was fanatiek.
?OK?, zei de man naast mij en hij knikte voor ons beiden. Ik keek hem verbaasd aan. Waarom antwoordde hij voor mij? De meisjes maakten een sprongetje van vreugde. Een hoop gegiechel volgde. Ze keken me dankbaar aan. Het meisje dat het dichtst bij mij stond, wierp me een instemmende hoofdknik toe. Ik kon niet meer terug. De man naast me lachte onheilspellend. Wat had hij hun beloofd?
Voor ik kon vragen wat er ging gebeuren, was de man al weg, het stoplicht was op groen gesprongen en hij was halverwege het kruispunt. Zijn Japanse meisje rende achter hem aan. Mijn Japanse stond ongeduldig naast me te wachten. "You go", zei ze, duidelijk ge?rriteerd dat ik niet opschoot, terwijl ze in de richting wees waar de man zojuist naar toe was gegaan. Ik stapte op mijn fiets en reed het kruispunt over. Het meisje rende achter me aan en klopte me hinderlijk op mijn rug.
Aan de overkant van het kruispunt minderde de man vaart, maar hij bleef wel rijden. ?Now!?, riep hij toen. Wat now? Waarvoor was dit een teken? Moest ik iets doen? Ik bukte om eventueel naderend onheil te ontwijken. In een flits zag ik verbijsterde omstanders staren in mijn richting. Een kale man in een lange, zwarte jas pakte zijn camera. De meisjes glimlachten als waanzinnigen.
Met een ruk werd mijn fiets tot stilstand gebracht. Er trok iets aan mijn jas. Mijn rug protesteerde. Ik hoorde iets vallen. Instinctief controleerde ik of ik mijn portemonnee nog had. Het ging allemaal snel. De man naast me kwam langszij. Hij keek lachend om. Het Japanse meisje zat bij hem achterop. Ik zag hoe jong ze was. Ze hield de man stevig vast.
Achter me veegde mijn Japanse haar knie?n af. De witte kousjes waren in haar val zwart geworden en afgezakt. Ze keek me kwaad aan. ?You go, you go!?, riep ze nijdig, commanderend, klaar voor een nieuwe sprong.
Wat mensen over je weblog zeggen als ze je op feestjes introduceren:
2001: Merel zet haar hele hebben houden op internet
reactie toehoorders: ieh!
2002: Merel heeft een website
reactie toehoorders: glimlachen vriendelijk, maar houden zich afzijdig
2003: Merel heeft zoiets wat
Wim de Bie ook heeft
reactie toehoorders: ene deel: leuk, andere deel: kijkt vragend
2004: Merel heeft een site waarop ze dagelijks stukjes typt
reactie toehoorders: ene deel: dat heet toch een weblog?, andere deel: dat heb ik ook
2005: Merel heeft een weblog
reactie toehoorders: gaaf!
Toen ik wakker werd, lag op mijn hoofdkussen een enorme baby. Een heel
erg lelijke enorme baby. De baby lag stil maar keek me aan met grote,
verwijtende ogen. De baby was bovendien een beetje gelig. Als ik
nou gedroomd had, dan was het logisch geweest, dan was het gewoon een
droom! Maar ik was dus net juist wakker geworden.
Ik twijfelde even over wat ik met de baby moest. Hij lag wel heel stil. Misschien was hij dood.
Ineens vond ik de baby ook nauwelijks realistisch.
Daarom besloot ik tot fysiek contact met de baby. Ik duwde (achteraf
helemaal niet aardig) tegen het lijfje. Vreemd genoeg voelde ik
helemaal geen vlees, noch weerstand. Ik was met mijn hand in de lucht
aan het wapperen!
Toen pas werd ik echt wakker.
Dromen die doen alsof, dat is pas echt gemeen.
En het was nog wel het minst rare van wat ik vannacht meemaakte.
Mijn tante heeft ooit besloten dat ze mijn broer en mij geen cadeaus meer geeft. Al dat gedoe met die cadeaus ook.
Eigenlijk vind ik het wel een goede regeling. Het is een beetje saai
misschien, want nu krijg ik nooit meer een verrassing, maar ik hoef
haar ook nooit een cadeau te geven.
En dat scheelt!
Dat zouden meer mensen moeten doen.
Maar nu mailde ze mij dat ik dit jaar wel een cadeau krijg.
Omdat ik een rond getal word.
(grrr)
Mijn tante woont in Groningen.
Ik hoefde niet lang na te denken.
Ik vroeg haar een retourtje Eerste Klas naar Groningen.
Woei! Groningen here I come!
In de trein!
Eerste Klas!
Nu hoef ik alleen nog maar een beetje tijd te vragen.
Toen ik mij deze zomer vrijwillig opsloot in een huisje aan zee, kreeg ik dagelijks bezoek van het konijn.
De eerste keer dat het me overkwam, stond ik zo roerloos mogelijk te kijken naar het beest achter het glas van het huisje.
Ik vond het een unieke ervaring. Dat zo'n beestje helemaal naar de tuin van juist mijn huisje was gekomen!
De tweede keer dat het me overkwam, was ik misschien nog wel verbaasder.
Het konijn had het leuk gevonden en wist nog precies welk huisje van mij was!
De derde keer dat het me overkwam, pakte ik mijn fototoestel. Vanachter
het glas maakte ik een kiekje. Door het geluid van de camera sprong het
konijn rustig maar wel geschrokken weg.
De vierde, vijfde en zesde keer dat ik het konijn zag, begon het al een
beetje normaal te worden. De zevende keer zei ik het konijn gedag. De
achtste keer deed ik de deur open. De negende keer zat ik met het
konijn samen in de tuin. De tiende keer vroeg ik me af waar het konijn
in godsnaam was, toen het beest vrolijk huppelend op me afkwam. De keer
erna had ik een goed gesprek met het konijn. Ik legde uit dat onze
relatie niet eeuwig kon duren, dat ik ooit weer terug zou gaan naar
Amsterdam.
Het konijn legde zich teneergeslagen neer bij deze opmerking, maar was blij dat ik duidelijk was.
De laatste dagen in het huisje aan zee hoefden we elkaar niets meer te zeggen.
Tevreden snufte het konijn aan de paddestoelen in het gras terwijl ik mijn literatuur las in een van de tuinstoelen.
Zo eenvoudig kan het leven zijn.
Het is een troostrijke gedachte.
Mijn nagels waren lang genoeg om mee op de tafel te tikken. Het was een grappig geluid. Dat was maar goed ook, want daardoor kon ik de tijd verdrijven terwijl ik genadeloos werd ingemaakt met de Kolonisten van Catan. Ik werd natuurlijk alleen maar genadeloos ingemaakt omdat de mensen met wie ik speelde, de regels niet kennen. Dat snapt u ook wel.
Een vraag aan u, Catanspeler.
Bij Steden en Ridders:
Mag je handelswaar ook ruilen 2:1 als je een willekeurige 2:1 haven hebt? Dus: ik wil een geldzak, ik heb 2x hooi en een hooihaven, mag ik die 2x hooi dan inruilen voor 1 geldzak? En geldt dit ook voor de handelaar, of werkt de handelaar alleen met grondstoffen?
Voor mensen die geen Catan spelen: ga eens Catan spelen!
In de
leukste CD-zaak van Amsterdam kwam ik J. tegen.
"Hee", zei hij, "ben jij ook nog zo iemand die CD's koopt?"
Ronja en Maus zijn insecten. Ik was in de veronderstelling dat het katten waren, maar blijkbaar is mijn biologische kennis niet meer up to date.
Maar Merel, vertel vertel, waarom ben je er nu dan wel ineens achter dat Ronja en Maus geen katten zijn maar insecten?
Nou, zo gaat het verhaal.
Het was de nacht van 5 op 6 september in het vijfde jaar na de start van het nieuwe millennium. Het was dan toch nog zomer geworden. De nacht was warm. Ik lag wakker. Niet van zorgen of van de warmte, maar van een mug. Na 2 uur wapperen in mijn halfslaap was ik het zat. Ik deed het licht aan met een allesontziende intentie de mug te doden. Kill kill!
Toen ik het licht aan had geknipt (knip!) en mijn plafond inspecteerde, zag ik niet ??n mug, maar een hele vriendengroep. Ze likten het bloed van hun pootjes af. Ik weet ook wel dat muggen geen bloed aan hun pootjes hebben, maar deze muggen wel. Ik pakte een tijdschrift en begon met slaan. Met voldoening zag ik hoe de levende wezens moeilijk uitwasbare vlekken op de witte muur werden. Toen ik een tijdje om me heen had geslagen en mijn bulten had opengekrabd, deed ik het licht uit en ging ik weer slapen.
Echter!
Eenmaal donker en horizontaal was er weer gezoem.
Toen besloot ik over te gaan tot rigoureuze actie.
Ik pakte de agressiefste anti-insecten cr?me die ik ooit had gekocht in Noorwegen.
We slaan het stukje dat ik mijn hele lichaam insmeerde even over.
Ik had geen last meer van de muggen. Ik sliep mmm lekker!
De ochtend van 6 september begroette ik Ronja en Maus met mijn nimmer aflatende enthousiasme.
De katten (ik was toen nog in de veronderstelling dat het katten waren) stoven weg.
"Poessiepoessiepoessie", zei ik zoetgevooisd.
Maar de poessies kwamen niet.
Ik las de tekst op de tube nog eens door.
Daarop stond dat alle insecten op grote afstand zouden blijven.
Ik weet wanneer ik conclusies moet trekken.
Heeft iemand heel toevallig een kaartje over (of meer dan 1) voor de Kaiser Chiefs in Paradiso morgen?
De telefoon ging en ik wist zeker dat het een marketingreclameenquete
iemand zou zijn. Bijna niemand belt mij meer op mijn vaste lijn. Vaste
lijnen zijn zooo 2002, maar ik heb er nog steeds eentje, voor mijn
internet (hoewel ik geloof dat dat niet meer nodig is tegenwoordig).
Toen ik de callcentergeluiden op de achtergrond hoorde, zei ik meteen: ik ben niet ge?nteresseerd.
Heel adrem van mij inderdaad.
De jongen aan de telefoon was ook heel adrem en zei:
"Schrijft u zich dan ff in op
infofilter, dan hebben wij ook geen last van u".
En warempel, dat bestaat! Walhalla!
De een die de ander wilde, kon de een niet krijgen en de ander ging er vandoor met een ander.
Op de Albert Cuyp weerkaatsten de rode achterlichten van de fietsers.
Ze reden zwalkend tegen elkaar op, om na de botsing weer ver uit elkaar
te gaan. Bijna raakten ze een geraamte van een marktstal.
Ik dook er tussen. Ze schrokken en stoven uiteen. Ik haalde ze in.
De een had staan zoenen met de ander, terwijl de ander toekeek.
Die was met hem naar huis gegaan, ook al had ze geen zin.
De een stond met zijn gulp open roerloos voor zich uit te staren.
Een ander kotste in de goot.
De een bleef maar verhalen vertellen. Die beledigde de vrouw in het gezelschap.
Iemand ging op tijd naar huis.
Hij liet haar eenzaam achter.
Er was weinig veranderd in tien jaar tijd.
De dronken koppen wilden meer en gingen door naar het volgende caf?.
De weg naar huis verliep zonder problemen.
Ik kwam de een nog tegen met de ander.
Vanaf het fietsenrek naar mijn huisdeur gaf ik een perfecte imitatie van
Roisin Murphy.
Zelfs de manier waarop zij haar voeten zet, deed ik, zonder publiek, weergaloos na.
Ik viel door de mand omdat ik heel lang deed over het vinden van de juiste sleutel aan mijn sleutelbos.
De immer opgewekte dakloze straatmuzikant zong.
"Hang on Sloopy, hang on" (wat dus niet over Snoopy gaat maar over Sloopy).
Een jongen kwam voorbij.
Hij passte de immer opgewekte dakloze straatmuzikant een vernietigend denigrerende blik.
"You are stupid, stupid hang on", zong de muzikant.
Daarna moest hij zo om zijn eigen grap lachen dat zijn gitaarspel alleen nog begeleid werd door een vreemd soort gehinnik.
|
|