Mijn moeder is vandaag precies 25 jaar dood.
Ik weet niet wat u daarmee moet, want ik weet het zelf ook niet. Maar 25 jaar, dat is lang. Het verdient een monumentje. Niet dat ze er veel voor hoeft te doen, dat dood zijn, maar toch. 25 jaar.
Het deel van mijn leven dat ik mijn moeder kende, wordt steeds kleiner ten opzichte van het deel dat ze dood is. De leeftijd waarop ze stierf, komt voor mij steeds dichterbij. Toen zij zo oud was als ik nu, had ze mij net gekregen. Mijn broer was drie.
Ik heb geen kinderen. Op weg van de sportschool naar huis net vroeg ik me af of dat er ooit van gaat komen.
Het regende net en nu schijnt de zon. De vogels fluiten. Eén van de bloemsoorten op mijn balkon is dood, de rest tiert welig.
Mama, ik mis je.
Denk ik.
Huh? Mijn
held van de fietsenmaker was gisteren te zien bij
Kort Amsterdams op AT5!
Wie schetst mijn verbazing?
Niemand?
Nou dan doe ik het zelf wel hoor.
Hier kunnen jullie mijn held bekijken (even doorspoelen naar het laatste item, iets na 6 minuten, als je geen geduld hebt).
Op straat stonden twee jongens naast elkaar naar boven te kijken. De een had een dik touw vast, dat vanaf het zolderraam naar beneden hing en voor het grootste gedeelte in een kluwen op de stoep lag. De jongens volgden het touw met hun blik. Uit het zolderraam werd langzaam de onderkant van een kast zichtbaar.
'Niet trekken!', riep een stem van een onzichtbare vrouw van boven. Het was een achterdochtig roepen, alsof ze in het geheel niet zeker was van deze operatie.
De jongens staarden naar boven, deden niets, wachtten af.
'NIET trekken!', riep de vrouwenstem, iets harder.
De jongens keken elkaar kort aan en richtten hun blik toen weer op het zolderraam.
De kast werd een klein stukje verder naar voren geduwd. De jongens stonden er relaxt bij alsof ze alle tijd van de wereld hadden.
'Niet trekken!!!!', riep de vrouw, die even verhit haar hoofd uit het raam stak, om te controleren of alles beneden nog goed ging.
De kast bleef nog even waar hij was, nog niet ver genoeg doorgeschoven om angstaanjagend boven de afgrond te kunnen balanceren.
'Nog niets doen!!!!'
'Hard kan ze schreeuwen hè?', zei de ene jongen.
'Ja', zei de ander, terwijl hij zijn nek wat rust gunde door even naar de stoep te kijken.
'Zeker voor een vrouw.'
Het was zo'n dag dat je eigenlijk te laat bent voor de viskraam op de markt, maar dat de visboer zegt dat het nog net kan, dat je bij het afrekenen geen cash blijkt te hebben en dat dan alle pinautomaten in de omgeving buiten dienst zijn. Dat de visboer dan nadat je een stuk hebt gelopen en een lange rij voor de pinautomaat hebt gestaan vraagt waar je al die tijd geweest bent terwijl hij met zijn zeshonderd gram vis op je zat te wachten.
Op zo'n dag liep, aan de andere kant van de stad, mijn ketting eraf.
Ik besloot een glas witte wijn op een terras te drinken en mijn opties te overdenken. Het was vlak voor sluitingstijd en de dichtstbijzijnde fietsenmaker zei me dat hij het veel te druk had - nee, ook morgen ophalen was geen optie. Nee, het kon ook niet even nu, wat dacht ik wel. Even verderop zat zijn concurrent, misschien had hij tijd.
Ik liep het bruggetje op met de fiets in de hand en ging op het zadel zitten bij de afrit.
Ik verkeek me op de vaart en het ontbreken van remmen. De fietsenmaker schudde zijn hoofd met een laatdunkende blik. Op vrijdagavond voor Pinksteren denken dat hij even een ketting erop kon zetten, een belachelijk idee.
Ik ging terug naar het terras en dronk nog een glas witte wijn. En zo.
Naar huis liep ik later en ik deelde de lange route in verschillende blokjes op. Het was mooi weer, alle terrassen zaten vol, soms stepte ik een tijdje voor de afwisseling. Met wat drank op minder bang voor gek te staan. Eenmaal thuis zou ik het gereedschap hebben om de kettingkast te openen. Ik had die fiets nodig. Die ketting bracht vele problemen voor het weekend met zich mee, bedacht ik. Vele beren op de weg.
In de 1e Jacob van Campenstraat kwam ik langs de
Fietsfabriek gelopen.
Tot mijn verbazing zaten er ver na sluitingstijd twee mannen op stoeltjes in de zon voor de winkel.
'Jullie zijn niet meer open, hè?', vroeg ik, al wetend wat het antwoord was.
'Misschien wel', zei een van de mannen, terwijl hij opstond. 'Wat is het probleem?'
Ik legde uit dat mijn ketting eraf was.
'Het gaat goedkomen', zei de man verbazingwekkend genoeg.
Ik keek of hij een grapje maakte, hij glimlachte breeduit en vaderlijk geruststellend, ik kon hem wel zoenen.
Hij zei me dat ik naar de werkplaats moest gaan, aan de overkant. Hij zou me volgen, en als mijn fiets niet terstond gerepareerd zou worden, moest ik hem roepen. Hij was de baas, en als niemand wilde, zou hij het zelf doen. Ik mompelde dat het wel laat was voor de arme werknemers, maar hij lachte. Hij zei dat ik een vrouw was en dat ik niet dat hele eind hoefde te lopen. In mij protesteerde honderd jaar feminisme als het laatste gloeiende puntje op een lucifer voor die echt helemaal opgebrand is.
In de werkplaats zeiden ze me dat ik de fiets morgen kon komen ophalen. Ik pruilde wat, maar legde me er bij neer.
De baas, die inderdaad achter me aan was gelopen, zei tegen de jongen: 'Waarom? Het moet nu, zij heeft de fiets nodig.' Het was waar, ik had die fiets nodig.
'Gaat u zitten', zei hij, en ik nam plaats op een krukje. De baas ging de jongen voor en hing zelf mijn fiets aan de katrol. Hij legde aan de jongen uit wat hij ging doen, alsof hij een dokter was die de handelingen met de patiënt doornam. Ik was in een modern sprookje beland.
'Klaar!', zei de baas na een tijdje. 'Voor u, mevrouw. Heb een fijn weekend en fiets fijn.'
Ik keek om me heen, aan wie ik moest betalen.
'Deze was gratis', zei de man. 'Alles komt goed!'
Het vermoeden leeft bij mij dat mijn computer het binnenkort gaat begeven.
Ik zal u vertellen waarom dit vermoeden bij mij leeft.
- als ik opstart, krijg ik een inlogscherm waar ik nooit om heb gevraagd
- mijn Outlook haalt de mail niet meer automatisch op ook al staat dat aangevinkt
- het icoontje dat ik aan mijn XP-account heb gegeven, wordt niet meer getoond onder Start
- mijn computer is traag, echt traag
- hij maakt meer lawaai
- mijn Limewire maakt geen verbinding meer (maar dat heeft er vast niets mee te maken)
- mijn Wifi-stick wil ie niet herkennen en dus internet ik met draad.
Red mij.
Wat is verstandig?
(U mag inderdaad, zoals u gaat doen, roepen dat ik een Mac moet kopen, maar de Windowsexpert mag er ook iets over zeggen)
Voor wie zijn sleutels kwijt is.
Het gaat
slecht met de Albert Cuypmarkt. Dat is niet zulk best nieuws, en dus bezocht ik de markt vandaag. Ik moet zeggen: dat het wat rustiger was, vergrootte mijn marktplezier aanzienlijk.
Degene met wie ik bij het Americain had afgesproken, noemde de locatie American Hotel. Ik zeg altijd Americain, en wist zeker dat het ook zo heette. Toen ik aankwam, stond er op het dak 'American Hotel'. Fuckjes, dacht ik. Maar op hun menukaart hebben zij het wel degelijk over Americain. Wie kan mij vertellen waarom?
En gewoon een leuk kiekie.
"Doei", zei mijn collega bij de voordeur van het pand.
"Dag", zei ik tegen hem. We hadden de hele dag in hetzelfde pand gewerkt. Ik had geen idee hoe hij heette en ik wist zeker dat dat wederzijds was. Ik wist zijn functie, zo'n beetje, hij de mijne misschien. Allebei freelancers.
Ik haalde mijn fiets van het slot en dacht na over hoe ik zou gaan fietsen.
Omdat de grachten rond gegraven zijn, is de snelste weg in Amsterdam vaak onderwerp van discussie.
Mijn collega had zijn fiets ook van het slot gehaald, stak zijn hand op en vertrok.
Ik fietste de andere kant op.
Ik moest naar de oostelijke eilanden en peilde mijn gemoedstoestand. Kon ik de kleine straatjes, met opbrekingen, toeristen, verhuizingen, toeterende auto's aan (de snelste route)? Of zou ik kiezen voor de grote wegen, waar aparte fietspaden zijn (beetje om)? Mijn humeur was goed genoeg voor het eerste.
Ik zigzagde soepel door de straatjes en ontweek alle obstakels op mijn pad.
Na een kwartier kwam ik uit op de grote weg, ter hoogte van het Nieuwe Muziekgebouw aan het IJ.
"Hallo!", zei mijn collega lachend, terwijl hij van links aan kwam fietsen en mij voorbij stoof.
In het jaarverslag dat ik moest redigeren stond:
"De volgende prijzen werden uitgereikt:
- beste scholier
- beste school
- beste actie"
Ik zag voor me dat de winnaar uitzinnig blij zijn scholier in ontvangst zou nemen, die zich eenmaal thuis als pokdalige puber zou ontpoppen.
Ik las een boek dat in de vorige eeuw geschreven was. En dan bedoel ik niet tien jaar geleden, want ja, sommige mensen zeggen 'in de vorige eeuw' als ze gewoon 1999 bedoelen, maar dat vind ik valsspelen, want je wekt daarmee illusies die de geest voor niets prikkelen.
Het boek, en het kostte even tijd om het uit te rekenen, want het stond slechts in Romeinse cijfers vermeld, kwam uit 1946. In het boek stonden woorden zoals 'welhaast' en 'ofschoon' en 'elkander'. Moet je je voorstellen dat het nog wel een boek met 'Moderne Sprookjes' betrof!
In één van die moderne sprookjes, die dus zeer ouderwets maar daarom precies goed aandeden, stond dat Jezus tweeduizend jaar geleden geboren was.
Hé!
Dacht ik.
Dat is nu nog steeds tweeduizend jaar geleden!
Maar waar was ik wel niet allemaal?
Alsof het nog nooit geregend had in Amsterdam, bleek het metrostation niet waterdicht.
Een grote Surinamer pakte daadkrachtig zijn walkie-talkie.
'Ik heb assistentie nodig.'
(...)
'Er is een héle grote plas.'
(...)
'Nee, water.'
Het zonovergoten terras aan de Amstel was overvol. Aan de zijkant wachtten mensen op een plaatsje, terwijl anderen stoeltjes bij de tafels wegpakten of ongevraagd aanschoven. Van het terras steeg een vrolijk gekwek op dat aan de overkant van het water te horen was. De bediening was prijzenswaardig: door een geavanceerd computersysteem bestelden de mensen hun drankjes die ze via een runner op bijna hetzelfde moment al aangeboden kregen.
Rond vijf voor acht begonnen mensen op hun horloge te kijken. Eerst de oude man met de baard. Daarna een vrouw met indrukwekkend decolleté. Een meisje wees op haar horloge en zei iets tegen haar vriend. Twee opgeschoten jongens vroegen het aan de barman.
"Het is bijna acht uur", zei één van de jongens.
De barman keek vragend.
"Je moet het even omroepen, anders weten de mensen het niet", zei de andere jongen.
Een jonge vrouw aan het tafeltje naast hen stak haar duim even naar de jongens op. De oude man met de baard keek nogmaals op zijn horloge.
Op dat moment kwam het geluid van een televisie op maximaal volume uit een openstaand raam. Het trompetgeschal.
Het vrolijke gekwek halveerde, de ene terrasbezoeker de ander aanstotend.
Op de Waalsdorpervlakte luidden de klokken.
Het gekwek stierf weg.
De televisie op maximaal volume zei net zo weinig als alle aanwezigen op het terras. De Amstel kabbelde voort, rustige golfjes, waar het zonlicht op weerkaatste. Niemand verbrak de stilte, niemand wilde grappiger zijn dan de rest.
Na twee minuten stilte, die langer duurden dan de meesten hadden verwacht, schalde het Wilhelmus uit het open raam.
Het gekwek kwam heel langzaam en wat onzeker weer op gang.
Een aantal aanwezigen moest grinniken, uit ongemakkelijkheid. Het was ze vergeven.
De oude man met de baard opende zijn ogen.
Twee mannen van een jaar of zestig, ongekamd haar, type eeuwige muzikant, zaten al een tijdje op het terras toen een derde ouwe rocker zich op de fiets aandiende.
'Hé, zijn jullie hier vannacht blijven zitten ofzo?', riep de laatste over het terras, terwijl hij de fiets parkeerde en naar hen toeliep.
'Ah joh, zeur niet, heb je van je vader wel toestemming om hier te komen?', was het lachende antwoord van een van de andere twee.
Op zo'n zonnige dag als deze, nog flink veel Frankrijk in mijn hoofd
en een mooi interview achter de rug, ziet Almere eruit zoals de
planologen het waarschijnlijk voor ogen hadden. De schittering van de
zon op het uitgestrekte Weerwater midden in de stad, de bomen aan de
straatjes in bloei, de bootjes kalm dobberend in de moderne grachtjes.
De enorme rust, die ik in Almere soms zo beklemmend vind, is op een dag
als deze opvallend aangenaam. Kinderen die op straat spelen, nauwelijks
auto's, een paar skaters die voorbijkomen, de herinnering aan de
nieuwbouwwijk waar ik opgroeide... je gaat er bijna naar verlangen.

PS. In de metro in Amsterdam stond een boomlange jongen met een
huidskleur zo zwart als het haar van Sneeuwwitje. Hij had een mond vol
goud, dreads tot aan zijn billen en een donkere zonnebril die zijn ogen
bedekte. Hij was breed en voor niemand in het metrostel over het hoofd
te zien. Angstaanjagend als Patrick Kluivert, charismatisch als Michael
Franti. Alle aanwezige vrouwen namen de grote man met veel interesse in
zich op; op zijn buik droeg hij in prachtig contrast vol trots een
piepklein slapend baby'tje.
* De terugreis ging perfect. Omdat de Fransen vandaag vrij hebben,
hadden ze gisteren ook massaal vrijgenomen - geen kip op de weg, en
zelfs geen auto (wel extreem veel dode beesten).
* Na 13 uur in de auto gezeten te hebben stond ik te tollen op mijn
benen. Ik belde naar E., met wie ik misschien nog even één
Koninginnedagbiertje zou gaan drinken, en die zei: 'Hee, ik sta ook te
tollen op mijn benen! Maar dan niet van de autorit, huhhuhhuh.'
* Vanochtend rook het centrum nog helemaal naar verschaald bier, dus heb ik toch iets van K-dag meegekregen.
* Ronja en Maus waren blij om me te zien, wat mijn ego enorm streelde.
* Mijn huis was superschoon achtergelaten, en mijn balkon stond vol met bloemen! Ik ga graag nog eens een maand weg.
* Ik ga graag nog eens een maand weg.
* Alles stinkt naar de Banon-kaasjes die we als presentjes hadden
meegenomen, maar die de reis volgens mij niet helemaal hebben
overleefd...
* Iedereen vraagt me hoe het nou echt was met vriendin Q., hoe vaak we
ruzie hebben gehad, of irritatie. Ze lijken een beetje teleurgesteld
als ik zeg dat het alleen maar één groot genoegen was.
* Vanochtend op de fiets zitten was fijn. Ik had me veel te luchtig
gekleed voor Nederlandse maatstaven, bleek uit alle blikken van de
andere fietsers.
* Het is fijn dat het gisteren Koninginnedag was, want hier op mijn werk is iedereen lekker suf. Net als ik.
* Ik ben weer in Nederland. Hallo allemaal!
|
|