---
title: "Destination Doesburg"
date: 2002-09-29
author: "Merel Roze"
featured_image: "https://www.merelroze.com/wp-content/uploads/2024/06/boids-1.png"
categories:
  - name: "Geen categorie"
    url: "/category/geen-categorie.md"
---

# Destination Doesburg

Ineens was de wegverlichting opgehouden te bestaan. Ik reed 120 kilometer per uur in een provincie die ik niet kende, op een weg zonder verlichting. Ik keek in mijn achteruitkijkspiegel en ik zag zwart. Ik keek rechts van me, en ik zag zwart. Voor me kon ik vier meter wegdek zien door de koplampen van mijn huurauto. Links van me zag ik in de verte de allerlaatste slierten van een prachtige zonsondergang. Een machtig gevoel, alleen op de wereld te zijn, controle over de wagen, met de radio aan. Ik, alleen met Bruce Springsteen. En later Spandau Ballet.

Er was geen ander verkeer op de snelweg. Ik reed in het pikdonker met razende snelheid op de tast voor me uit. Er stonden lange tijd geen borden aan de kant van de weg. Ik had een groeiend vermoeden dat ik een eerdere afslag toch had moeten nemen.

De eerst volgende afslag ging ik eraf. Zevenaar. Ik wist met grote zekerheid dat ik hier niet moest zijn, maar ik zou terug de snelweg opgaan om zo in Doesburg te geraken. Voor het stoplicht in een verlaten niemandsland naast de snelweg keek ik even om me heen. De weg hier heette Doesburgseweg. Ha! Dat wilde wat zeggen. In de verte zag ik een bordje: Doesburg 10 km. Geluksgevoel maakte zich van mij meester. Ik geraakte in Doesburg alsof het zo had moeten zijn. Doesburg bleek een erg mooi provinciestadje.

De bruid zag er zo mooi uit dat ik tranen in mijn ogen kreeg toen ik haar zag.

Op de terugweg na middernacht was het nog rustiger dan ervoor. Flarden mist sloegen om mijn auto. Vage contouren op onverlichte wegen, auto’s die opdoemden op de provinciale weg. Ik had een eland verwacht of een overstekend hert, de setting leende zich perfect. Ik klampte mij vast aan een Volkswagen busje voor me en samen reden we door de mist de provincie Utrecht in. Toen ik bij Utrecht afsloeg en hij doorreed richting Amsterdam, staken wij onze arm omhoog ten teken van afscheid.

Ik was even vergeten dat ik Utrecht niet ken. Op de grote, blauwe borden boven de weg kwamen diverse afslagmogelijkheden. Lunetten, Hoograven, Kanaleneiland. Het zei me allemaal wel iets, maar niet genoeg. Ik besloot centrum aan te houden. Eenmaal bij afslag centrum kon ik kiezen tussen west en oost. Ik koos oost, maar reed na de afslag verkeerd. Ik zag straatnamen die ik Amsterdam zo had kunnen plaatsen, maar nu geen idee had waar ze in Utrecht lagen. Bij een grote verkeersrotonde ging ik helemaal rond, want geen van de opties kwamen me geschikt voor. Ik reed terug over een grote weg vol industrieterreinen. Plotseling zag ik een bordje: centrum. Ik keek om me heen en ging nog net op tijd naar rechts.

Even later zag ik achter mij een politieauto. ‘Politie’, ‘Stop’, zei de lichtkrant. Ik keek naar mijn snelheid. Ik reed 50. Ik aarzelde, was dit stopsignaal voor mij bedoeld? Ik reed een bushalte op. De politieauto volgde. Het was half 2.

Een agent met een zaklantaarn stapte uit en liep naar mijn deur. Ik kon het knopje voor het raam niet zo snel vinden (lastig, al die moderne fratsen) dus ik opende mijn deur. De agent scheen in mijn gezicht en vroeg mijn rijbewijs. Ik vroeg me naarstig af wat ik verkeerd had gedaan. Ik zocht in het dashbordkastje en vond gelukkig een kentekenbewijs. Of ik had gedronken. Nee.

Ik had niet zo’n stabiele indruk gemaakt. Eerst was ik een rotonde opgegaan zonder ergens af te slaan, en vervolgens was ik op het allerlaatste moment rechtsaf geslagen terwijl ik eerst rechtdoor wilde. ‘Ja, agent’, zei ik, ‘ik zoek de weg’. Ik vond mezelf nogal een miep, maar ik zou me wel hieruit kunnen redden.  
Hij keek ter goedkeuring naar zijn collega, wachtte even, en zei toen: ‘Rijd jij maar achter mij aan, meisje, dan laten wij je wel even zien waar je moet zijn’.

Poeh hee.