---
title: "Oester"
date: 2003-01-22
author: "Merel Roze"
featured_image: "https://www.merelroze.com/wp-content/uploads/2024/06/boids-1.png"
categories:
  - name: "Geen categorie"
    url: "/category/geen-categorie.md"
---

# Oester

Vreemd genoeg at ik gisterenavond voor het eerst in mijn leven een oester.   
Er lag er één op het bord tussen ons in, en mijn tafelgenoot wilde niet.  
Ik pakte de schelp op. Ik was me er van bewust dat het heel erg smerig zou gaan smaken. In de loop der jaren heb ik geleerd dat alles waar je volgens volwassenen een ontwikkelde smaak voor nodig hebt, de eerste keer vies is: wijn, olijven, witlof, sigaretten, blauwe kaas, lever, etc.

Ik tuitte mijn lippen en legde ze aan de rand van de schelp. Ik zoog de smurrie, als ware ik een stofzuiger, naar binnen. Het sap stroomde meteen door, mijn slokdarm in. Het snotterige gedeelte bleef nog even in mijn mond voordat ik het doorslikte.

Dat was best lekker. Erg zout, zoals ik had verwacht. Maar ook pittig, tegelijkertijd, en dat beviel me wel. Ik smakte wat na, trots op deze eerste keer oester eten, toen de zilte nasmaak in mijn mond vorm begon te krijgen.   
Een onbestemde verrottingssmaak hing nu in mijn mond. Nasmaak van een oester. Ik pakte een blaadje garnering en nam een slok bier. Getver. Vies. Onbekend ranzig. De smaak bleef hangen – niet even, maar de hele avond. Als het even wat minder was, dan zorgden de oprispingen wel voor nieuwe verrotting. Burp.

De hele avond werd ik pijnlijk herinnerd aan de oester.   
Mijn tafelgenoot zei: ‘Weet je dat hij nog leefde, toen je hem opat?’