« terug naar blog

Op de fiets (49)

Ik reed door het Vondelpark. Het was droog en donker. Mijn fiets maakte boel lawaai.
Kaboem. Klingel. Deng. Ratsj ratsj. Sloessch, sloessch, pling tring (asociale bel).

Ergens halverwege het park kreeg mijn trapper geen tegenwicht meer. Op hetzelfde moment hoorde ik een klap. Mijn ketting was eraf gevlogen. Grom. Midden in park. Donker. Wel droog.

Ik gooide mijn fiets bijna professioneel op zijn zadel en begon met het inventariseren van de schade. De ketting was er helemaal af, maar niet kapot. Dat zou ik wel eventjes kunnen maken. Ik friemelde aan het ijzeren ding en keek even om me heen. Er liepen twee mannen met blikjes Heineken aan de overkant van het pad. Lalala, zeiden ze. Waarom was ik niet eerst het park uitgelopen alvorens mij hier zo kwetsbaar op te stellen?
Concentratie op fiets, niet opkijken.

Even verderop bij een afsplitsing stonden twee meisjes te praten. De klank van hun geroezemoes voelde veilig. Ik probeerde de ketting op het kleine tandwiel te leggen. Ik moest om de deels gesloten kettingkast heen werken en ik haalde mijn wijsvinger open aan een uitstekend moertje. Het wilde niet meewerken. Ik haalde hem er nog eens helemaal af. Het was donker en slecht te zien.

Er passeerde een man. Ik wilde niet geholpen worden als het meisje in nood, ben zeker geen mietje zeg en dat kan ik zelf wel, dank je wel. Hij liep door.
Het wilde niet echt vlotten met mijn reparatiekunsten. Mijn optimisme maakte plaats voor opkomende chagrijnigheid.  

Op dat moment kwamen de twee meisjes naar mij toe gelopen. ‘Lukt het wel?’, vroeg het ene meisje. ‘Jawoor’, zei ik, mij afvragend waarom ik dat zei. Om aan te tonen dat het allemaal best wel heel goed ging, demonstreerde ik haar hoe goed mijn ketting het alweer deed.
Wonder boven wonder bleef de ketting keurig zitten. De trapper die ik met mijn armen voortduwde, trapte zonder enige hapering. In grote blijdschap zette ik de fiets als een ware prof weer op zijn banden. Zo. Klaro.

‘Dat gebeurt heel vaak hè’, zei het meisje wijs, ‘zodra de hulp komt, is het opgelost’.


Reacties

9 reacties op “Op de fiets (49)”

  1. In dit soort gevallen zou je toch bijna aan het niet-bestaan van god gaan twijfelen! 🙂
    (Ja gelovigen, atheïsten twijfelen ook wel eens…)

  2. ‘Zodra de hulp komt is het opgelost’… inderdaad, vooral bij kiespijn.

  3. Synchroniciteit..

  4. Bram avatar

    het lijkt de cavalerie wel!

  5. Wow, wat doet er: Ratsj Sloessch aan jouw fiets? Wijs meisje in park inderdaad.

  6. Heb zelf fiets gehad die Ratsj Sloessch deed (mogelijk met iets andere tongval), ik het geval van mijn fies was het de trapper langs de kettingkast.
    @beernd: Pas op, als je als atheïst twijfelt, loop je grote kans agnost te worden 😉

  7. zo, ik had het echt wel blij de hulp geaccepteerd van die voorbijkomende meneer! maar ik ben wel een mietje. wel stoer van jou.

  8. Je hebt die twee meisjes ten afscheid toch wel een stevige hand gegeven, hè?

  9. Zet op een mooie dag je fiets in het zonnetje op zijn zadel en pleeg en half uurtje onderhoud. Of is dat ook voor mietjes? Je wordt wel minder gehoord …