“Het is hier een zooitje”, verontschuldigde een Rotterdammer zich toen ik hem de weg vroeg naar de fietsenstalling bij het Centraal Station, waar we een OV-fiets wilden huren. Ik sloeg bijna mijn armen om hem heen uit liefde voor zijn Rotterdamse accent – het voelde toch als een (misplaatst) soort thuiskomen.
De Rotterdammer verwees ons naar een plek aan de oostzijde van het station, honderden meters door de bouwputten met de gele borden. We kwamen in het niets uit. In het niets zei een man, met een zachte g, dat de fietsenstalling aan de noordzijde was. Wij klosten een kilometer terug, sjokten door de stationstunnel, kwamen uit bij de achterzijde van het station en troffen een dichte fietsenstalling aan. Na enig navragen werden we weer door de bouwputten gestuurd, maar nu naar een fietsenstalling aan de westzijde. “Als je dan daar naar rechts gaat en dan weer rechts en dan links en dan een hele tijd rechtdoor dan zie je vanzelf wel de borden.”
En zo belandden we na een lange reis ineens in het Oude Handelsgebouw, prachtig van architectuur, waar we twee fietsjes huurden.
Er zouden die 48 uur nog vele reizen volgen.
Na de Kunsthal (Giacometti), een subliem diner met fantastische bediening bij Branco in het Oude Noorden en een avond Rotown (waar iedereen 15 leek en waarschijnlijk 14 was) gingen we in de vroege ochtend naar het geteisterde Ramallah. Om te worden meegenomen naar twee kanten van een tragische geschiedenis in Noorwegen, waarna we de serene kalmte en het ontroerende afscheid van Franse plattelandsboeren opzochten. Vervolgens vlogen we naar Chili, waar een extreem chagrijnige en jaloerse nanny het leven van de nieuwe nanny’s zuurmaakte. Om te eindigen in een kleurrijk, flitsend, verschrikkelijk Mumbai.
Toen ik een paar uur later in mijn bedje in het mooie Amsterdam mijn ogen sloot, had ik niet genoeg filmrol in mijn hoofd om alle beelden op af te spelen en te kunnen verwerken.
Geef een reactie