De gangen op mijn werk zijn lang en smal. Ik heb altijd de neiging om
al lopend achtjes te maken. Of nee, eerder een lange strook van de
letter S achter elkaar. Van de ene muur naar de andere
muur, terwijl ik toch rechtdoor loop. Heel rustig mezelf door de
gang heen deinen en steeds de muren licht aanraken met mijn schouder.
Heerlijk. Een soort wals zonder muziek. Net zoals ik op straat doe met
de fiets als er niemand te zien is.
De gangen van mijn werk zijn rustig. Iedereen zit in het voormalig
ziekenhuis in hun kantoortjes achter gesloten deuren. En dus kan
ik mijn rondjes draaien. Er is toch nooit iemand die het ziet. En als
er wel iemand is, dan heeft diegene pech. Bovendien kan ik binnen no
time best normaal doen.
Gisteren liep ik even de deur uit, de gang op. Aan het einde van de
gang, met tegenlicht, zag ik een jongen precies hetzelfde
doen als ik normaalgesproken doe. Hij zag mij, ik stak mijn
hand op, hij deed ineens normaal.
Volgens mij walst iedereen zachtjes in die gangen alleen weten we het niet van elkaar.
Geef een reactie