De radiotherapeutisch laborante legde precies uit wat er ging gebeuren. Voor Swaan (zie 1, 2, 3) was het gesneden koek. Voor mij was alles nieuw. Ik stond er onwennig bij. Toch een beetje zenuwachtig.
“Kom maar wat dichterbij hoor”, zei de laborante. Ik deed een stap
vooruit en nog eentje. Veel dichterbij durfde ik niet. Het apparaat
maakte indruk.
Swaan lag op haar rug op een soort ijzeren doktersbed met een plaat
achter haar hoofd. Een groot zwart geval zweefde boven haar ontblote
bovenlichaam. “Eerst gaan we de lijnen bijtekenen”, zei de
radiotherapeutisch laborant, terwijl ze een emmertje en een kwastje
pakte. Ik vreesde dat ik bij de verkeerde kamer naar binnen was
gelopen, misschien was dit een sessie bodypainten, maar het was toch
echt Swaan die daar lag en niet met plezier.
“De lijnen zijn heel nauwkeurig aangebracht, in de simulator”, legde de
radiotherapeutisch laborant uit. “Ze zijn door het douchen en zweten
een beetje vervaagd”. Ik knikte. De ingewikkelde tekeningen op de
borstkas van Swaan werden bijgeverfd. De lijnen kwamen tot haar
adamsappel. Swaan profiteert de laatste tijd van de in de mode geraakte
sjaaltjes en moet noodgedwongen coltruien dragen omdat iedereen anders
het galgje op haar hals ziet.
Vanuit de muren kwamen groene laserstralen. Een van de laserstralen
raakte mijn broek. Ik stond in de weg. Ik deed geschrokken een stapje
opzij. “Is niet erg hoor”, zei de radiotherapeutisch laborant
geruststellend. Met een zwaar metalen apparaat legde ze de laserstralen
precies op de lijnen op het lichaam van Swaan. Rustig legde ze uit dat
de laserstralen vooral niet buiten het lijnenvlak moesten komen omdat
daar gevoelige delen zoals de slokdarm van Swaan zaten. Ik slikte. Het
duurde lang. Er werd zachtjes aan het lichaam van Swaan getrokken,
stukje naar links, het apparaat werd verplaatst, nog een stukje, beetje
duwen, klein beetje trekken. Er was niets romantisch aan. Ik vroeg me
af of het niet koud was. Toen lag ze goed.
“Nu moeten wij weg”, zei de radiotherapeutisch laborant. “Want de straling is gevaarlijk”.
Ja, hallo! Dacht ik.
Ik ga Swaan hier niet alleen laten. Als het voor ons schadelijk is, dan is dat het voor haar toch ook?
De radiotherapeutisch laborant keek me afwachtend aan.
“Dag Swaan”, zei ik. “Ik ben zo terug”. De routine van de laborante won het van mijn neiging om bij Swaan te blijven.
We liepen naar het kamertje ernaast, waar we Swaan zagen liggen op twee
monitoren. Het voelde oneerlijk. Swaan als medisch gegeven, als object.
Wij als de anderen. De bestraling werd aangezet. Ik hoorde een
geluidje. Een minuut later was het voorbij. We mochten weer naar haar
toe. Het ritueel herhaalde zich, nu met het apparaat van onderen. Eerst
stellen, duwen, trekken. Weer moesten we weg.
“Dat was het dan”, zei Swaan, toen we op straat stonden.
Elke dag. Vijf dagen per week. Vijf kwartier heenreizen, vijf kwartier terugreizen. Zeven weken lang.
Keiharde straling op haar borst.
“Zelf dacht ik ook van te voren dat deze behandeling wel mee zou
vallen, maar eigenlijk vind ik het, met alles wat er bij komt kijken,
de zwaarste van allemaal”, schreef Swaan laatst in haar nieuwsbrief.
Het enige voordeel is dat het na deze bestralingen gedaan is met de behandelingen.
En dat die kankerziekte dan eindelijk snapt dat hij NIET gewenst is en zijn gezicht NOOIT meer mag laten zien.
Geef een reactie